Spring naar het einde van metadata
Ga nar het begin van metadata

Over de Klinische stage

De klinische stage vormt met 6 maanden het grootste gedeelte van een volledig Jaar 2 van de huisartsopleiding. Deze stage is op grond van EU-regelgeving verplicht. Aanpassingen van de duur van de klinische stage op basis van eerdere ervaringen van de aios zijn mogelijk. Zie voor nadere informatie hierover het beleid vrijstellingen (link toevoegen).

Afhankelijk van het IOS (Individueel OpleidingsSchema) wordt de stage doorlopen in één periode van 6 maanden of 2 periodes van 3 maanden. Meestal wordt de stage gelopen op de SEH van een algemeen ziekenhuis. In dat geval zal de nadruk liggen op spoedeisende hulp en kleine chirurgie.

Behalve op een SEH kan de klinische stage ook plaatsvinden op een afdeling kindergeneeskunde, interne geneeskunde, chirurgie of verloskunde/gynaecologie. De aard van de werkzaamheden en de inhoud van de stage- ervaringen bepalen de ervaringen van de aios. In het cursorisch onderwijs wordt op basis hiervan reflectieonderwijs ingevuld. De ervaringen kunnen per stageplaats sterk verschillen. Bij de invulling van het onderwijs wordt daar zoveel mogelijk op ingespeeld. Enerzijds door de ervaringen van de aios centraal te stellen. Anderzijds door in het verdiepingsonderwijs de transfer van de ervaringen naar de huisartssetting tot onderwerp te maken. De thema's worden gekozen aan de hand van de leerdoelen van de aios en de voor de huisartsgeneeskunde relevante thema's. Als kader voor de te kiezen thema's in het cursorisch onderwijs dienen de competenties zoals beschreven in de ComBeL voor de klinische stage.

Bij de invulling van het cursorisch onderwijs bieden ook de overstijgende leerlijnen houvast. Door gericht aandacht te besteden aan de leerlijnen wordt de samenhang tussen de modules binnen jaar 2 en de relatie met jaar 1 en jaar 3 van de opleiding versterkt. Dit ondersteunt de transfer van de ervaringen in jaar 2 naar de huisartssetting. De overstijgende leerlijnen in jaar 2 zijn:

De SEH stage begint met de zogenaamde STARtclass klinische stage. Ook andere klinische stages worden vaak, maar niet altijd voorafgegaan door de STARtclass. De STARtclass is een landelijk georganiseerd programma met 6 dagen onderwijs, dat voorafgaat aan de eigenlijke stage. De STARtclass vindt plaats in de Schola Medica in Utrecht.

Het hoofddoel van de STARtclass is de aios goed voor te bereiden op het praktisch werken op de SEH. Alle aios moeten met een zelfde basispakket aan kennis en vaardigheden aan de start staan. Feedback op praktijkhandelen komt pas naar voren in de praktijkstage in de SEH volgend op deze inleidende cursus. Daarom beperkt deze cursus zich tot het overbrengen van kennis en vaardigheden.

Na de STARtclass resteren nog 10 onderwijsdagen op het instituut (1x per 2 à 3 weken). Hiernaast is er keuze-onderwijs op vrijdag, half jaarlijks politiek café en onderwijs op de stageplekken.

Het cursorisch onderwijs is als volgt vorm gegeven: 's ochtends in de eigen groep reflectieronde en casusbesprekingen. 's Middags thema-onderwijs met begeleiding van een medisch specialist, een kaderhuisarts of een groepsdocent. Door de groepen in de middag te mixen kunnen er meerdere thema's ter keuze worden aangeboden.

 

 

Contactpersonen

Gerda Visser, Stagebeheer Klinische stage

Rinel van Beest, Teamleider 1e fase

Pascale Scheerman, Assistent Teamleider 2e fase

Inhoudsopgave

Aanvangsniveau

  • De klinische stage vindt plaats na het 1e opleidingsjaar en vóór de aanvang van de 2e Opleidingsperiode in de huisartspraktijk.
  •  In Jaar 1 heeft de aios reeds kennis gemaakt met de acute geneeskunde binnen de huisartspraktijk en waarschijnlijk binnen een huisartsenpost (minimaal 20 ANW-diensten).
  • In principe moet de aios in staat zijn om zelfstandig de rollen van consultarts en visitearts uit te voeren na de 1e Opleidingsperiode in de huisartspraktijk.
  • Alle aios hebben voor de aanvang van de stage de STARtclass gevolgd. (dit geldt voor de SEH-stage)
  • De aios stelt bij de start van de klinische stage zijn of haar aanvangsniveau vast door het maken van een self-assessment. Dit vormt de basis voor het IOP en het ontwikkelingsdossier. 

Globale inhoud

De leerdoelen van de klinische stage zijn afgeleid uit het Competentieprofiel huisarts, het Tussenprofiel voor het tweede jaar, de ComBeL, het Raamcurriculum 2005 en de daarbij behorende Eindtermen en Competentieprofiel van de Huisarts en de lijst van medisch-technische vaardigheden. In 2016 worden de kba's uit het landelijk opleidingsplan leidend bij het beoordelen van de competenties. De implementatie daarvan is gaande.

Het zwaartepunt ligt bij het snel en adequaat ingrijpen bij spoedeisende en levensbedreigende klachten en aandoeningen bij alle patiëntencategorieën. Kleine chirurgie is het tweede belangrijke aandachtspunt.

Stages die plaatsvinden op een afdeling kindergeneeskunde, gynaecologie/verloskunde, chirurgie of interne geneeskunde geven gelegenheid om geconcentreerd competenties te verwerven op die gebieden.

De klinische stage is bij uitstek geschikt om de samenwerking tussen de 1e en de 2e lijn nader te leren kennen vanuit het perspectief van de 2e lijnsvoorziening. In het instituutsonderwijs wordt steeds  gefocust op de afbakening van en de samenwerking met de eerste lijn, de transitie van patiënten tussen de 1e en 2e lijn en de daarmee verbonden uitdagingen voor alle betrokkenen (samenwerken, verschillen in visie/benadering/richtlijnen).

Doelstellingen

De leerdoelen zijn ontleend aan het Competentieprofiel huisarts, de ComBeL, het Raamcurriculum 2005. Het onderwijs tijdens deze module is gerelateerd aan de, per taakgebied geordende, onderstaande competenties:

(in 2016 zullen de kba's uit het landelijk opleidingsplan mede leidend worden bij het beschrijven van de doelen)

 Taakgebied 1: Vakinhoudelijk handelen
  • heeft kennis van de voor de stage relevante ziekten / stoornissen / gezondheidsproblemen m.b.t. voorkomen, symptomatologie, etiologie, pathosfysiologie en natuurlijk beloop, en past deze kennis adequaat toe
  • voert op adequate wijze het anamnestisch - en fysisch-diagnostisch onderzoek uit
  • kent het diagnostische arsenaal van het vakgebied, inclusief het onderscheidende vermogen ervan, en zet dit op rationele wijze in
  • kent het therapeutische arsenaal van het vakgebied, inclusief wetenschappelijke onderbouwing, werkzaamheid en risico's, en zet dit op rationele wijze in
  • stelt prioriteiten op basis van ernst van aandoening(en) bij patiënt en bij groepen patiënten (kwaliteit triage)
  • handelt adequaat bij acute pijn (pijn op de borst, in de buik en elders)
  • handelt adequaat circulatoire insufficiëntie (shock, hartfalen en arteriële afsluiting)
  • handelt adequaat bij acute respiratoire insufficiëntie
  • handelt adequaat bij verwondingen (snij-/-scheurwonden, botbreuken, contusies, luxaties, glasverwondingen en corpora aliena)
  • handelt adequaat bij bewustzijnsdaling
  • beheerst de vaardigheden nodig voor kleine chirurgie in de huisartspraktijk (verwijderen huidtumoren zoals naevi, atheroomcysten en lipomen; behandeling ingegroeide teennagel)
 Taakgebied 2: Arts-patiënt communicatie
  • bejegent de patiënt /naasten met betrokkenheid, begrip en respect
  • communiceert adequaat met patiënten en hun begeleiders, ook in acute situaties
  • geeft voldoende en begrijpelijke informatie aan de patiënt / naasten en past zinsbouw en woordkeus aan bij leeftijd geslacht, opleiding en emotie van de patiënt.
  • geeft de patiënt / naasten ruimte bij inspraak in de besluitvorming (indien mogelijk)
 Taakgebied 3: Samenwerken
  • zorgt voor heldere mondelinge en schriftelijke informatieoverdracht
  • werkt adequaat samen met andere zorgverleners in een multidisciplinaire, hiërarchische structuur
 Taakgebied 4: Organiseren
  • handelt snel en adequaat bij spoedeisende aandoeningen, traumata en kleine chirurgische ingrepen
  • toont de leiding te (kunnen) nemen en waar nodig kordaat en adequaat op te treden
  • draagt een patiënt zorgvuldig over in een multidisciplinaire, complexe, acute situatie en draagt zorg voor continuïteit
  • maakt adequaat gebruik van het patiënten registratie systeem
  • legt medische gegevens zorgvuldig en begrijpelijk vast
  • maakt gebruik van internet voor het opzoeken van informatie ten behoeve van de patiënten zorg
  • gaat adequaat met de tijd om, zodat toegewezen taken binnen een bepaalde limiet uitgevoerd kunnen worden
 Taakgebied 5: Maatschappelijk handelen
  • handelt volgens relevante wettelijke regelgeving (WGBO, BIG, BOPZ, KNMG groene boekje)
  • is alert op psychosociale factoren die de gezondheid van patiënten kunnen beïnvloeden
  • registreert en delegeert volgens de wetgeving en procedures van de instelling
  • herkent incidenten in de patiëntenzorg die tot een klacht (zouden) kunnen leiden en speelt daar zo nodig op in om een klacht te voorkomen.
  • informeert desgewenst over geldende klachtenprocedure
 Taakgebied 6: Wetenschap en onderwijs
  • onderbouwt de zorg op wetenschappelijk verantwoorde wijze
  • presenteert op adequate wijze medische onderwerpen / patiënten in (multidisciplinaire) besprekingen
 Taakgebied 7: Professionaliteit
  • toont inzet en betrokkenheid, houdt zich aan afspraken
  • neemt, ook bij fouten, de verantwoordelijkheid voor het eigen handelen
  • staat open voor feedback en gaat daar constructief mee om
  • reflecteert op het eigen handelen, schat het eigen niveau van professioneel functioneren goed in en handelt daarnaar (roept zo nodig hulp in)
  • stelt s.m.a.r.t. leerplan op, evalueert resultaten en stelt plan bij c.q. stelt nieuw leerplan op [s = specifiek; m = meetbaar; a = acceptabel voor aios en anderen; r = realistisch; r = relevant; t = tijdgebonden]
  • is toenemend in staat gebleken zelfstandig te werken
  • handelt in ethisch en juridisch opzicht zorgvuldig
  • gaat adequaat om met verschillen in normen en waarden tussen verschillende hulpverleners- en vragers gegeven ethische en medische gedragsregels
  • is zich bewust van vertrouwensrelatie met patiënten en respecteert de privacy van gegevens
  • gaat adequaat om met de werkbelasting in de kliniek

 

Ondersteunend onderwijs

Voorafgaand aan de klinische stage volgt de aios de STARtclass.
De STARtclass heeft meerdere doelstellingen:

  • de aios kennis en vaardigheden meegeven aangaande spoedgevallen in de huisartspraktijk in het algemeen;
  • de aios inzicht geven in het verschil in epidemiologie van spoedgevallen op de SEH en in de huisartspraktijk;
  • de aios een basis aan kennis en vaardigheden meegeven die nodig zijn om het werken op een SEH te kunnen starten; deze basis dient verder uitgebouwd te worden tijdens de gehele SEH-stage;
  • de aios bewust te laten worden van de eigen grenzen in kennis en vaardigheden in het ziekenhuiswerk, en de vaardigheid te verwerven om tijdig hulp in te roepen als hij/zij zijn/haar grenzen dienaangaande bereikt.
  • de STARtclass wordt afgesloten met een toets; deze geldt als toegangsbewijs voor de start van het werken op de stageplaats


Aansluitend aan de STARtclass werkt de aios eerst 2 weken bij de stage-instelling. In het vervolg wordt nog 1x per 2 à 3 weken een onderwijsdag aan het instituut georganiseerd, 10 in totaal in 6 maanden. 
Het instituutsonderwijs heeft de volgende functies:

  1. de aios laten reflecteren op de stage- ervaringen
  2. de aios ondersteunen in het verwerken van diens ervaringen
  3. de transfer van de stage- ervaringen naar de huisartsgeneeskunde
  4. aanbieden van onderwijs in acute thema's, zowel medisch inhoudelijk als qua andere competenties
  5. verbinden van de stage- ervaringen aan de overstijgende leerlijnen communicatie, ethiek, wetenschap en onderwijs, samenwerken en organiseren en professionaliteit
  6. de toetsing van de vooruitgang van de aios ter hand te nemen, zodat de aios vordering ervaart


Tot het vaste aanbod behoren:

  • reflectie middels begeleide intervisie
  • bespreking opdrachten / casuïstiek
  • toetsing van vaardigheden
  • keuze-onderwijs met begeleiding van medisch specialisten, kaderhuisartsen en/of groepsdocenten
  • individuele voortgangsgesprekken, in principe op de stageplaats (stagebezoek docent)


De invulling van het verdiepingsonderwijs wordt in samenspraak met de groep vastgesteld. Er is dus in het rooster veel ruimte voor onderwijs op basis van leerwensen van de groep. De gekozen thema's worden aangeboden door zowel de aios als de docenten. Met regelmaat worden (externe) experts ingezet. Het actuele aanbod van expert- onderwijs voor 2016/ 2017 bevat de onderstaande thema's:

  •  KNO (ext. docent)
  •  Samenwerken (GW docent)
  •  Medische zorg aan ongedocumenteerden ( HAB en GW docent)
  •  Communicatie in de acute situatie (GW docent)
  •  Omgaan met fouten (SEH arts)
  •  Omgaan met agressie (GW docent)
  •  Kindergeneeskunde (extern docent)
  •  Brandwonden (extern docent)
  •  Vaardigheden, kort en bondig overdracht geven (HAB)
  •  KNO (extern docent)
  •  Uro-gynaecologie (kaderhuisarts)
  •  Kindergeneeskunde (extern docent)
  •  Gynaecologie (extern docent)
  •  Wetenschappelijke vorming (extern docent) 
  •  Pijn (kaderhuisarts)

Om het onderwijs zo goed mogelijk te laten aansluiten bij de vraag van de aios en de onderwijstijd zo veel mogelijk te gebruiken voor het verwerken van de informatie tot bruikbare kennis wordt de aios gevraagd zich voor te bereiden door het doen van een voorbereidingsopdracht, het lezen van teksten en/of het bedenken van vragen bij het te behandelen thema. (flipped classroom)

Opdrachten 

Deze opdrachten zijn verplicht tijdens de klinische stage:

Hierbij komen de voorbereidingsopdrachten voor de onderwijsdagen als hierboven beschreven.

Toetsing en beoordeling

Toetsing en beoordeling vindt plaats conform Protocol toetsing en beoordeling en het Toetsprogramma HOVUmc en wordt beschreven in Toetsing en beoordeling Klinische stage.

Toetsing stuurt het leren. Daarom is van essentieel belang om tijdens de opleiding zicht te krijgen op de competenties Dit geeft richting aan de leerdoelen en de daaruit voortkomende activiteiten tijdens de opleiding. De toetsing is met name gericht op het handelen in de praktijk, op het functioneren in de opleidingsgroep en op de leeractiviteiten. Er worden verschillende toetsvormen gebruikt: zelftoetsing, toetsing door collega-aios en toetsing door deskundigen (stageopleider en anderen op de werkplek, docenten). 

Ten minste eenmaal gedurende de klinische stage vindt er een formeel voortgangsgesprek plaats tussen de aios en de stageopleider aan de hand van de door beiden onafhankelijk van elkaar ingevulde Combel (link maken). De docent is bij voorkeur aanwezig bij dit gesprek of het vervolg hierop tijdens het praktijkbezoek en helpt mee de beoordeling te vertalen naar bijstellingen van het IOP van de aios.

Tweemaal gedurende de klinische stage vindt er een voortgangsgesprek plaats tussen de docent(en) en de aios. Het IOP, het ontwikkelingsdossier, de Combel en het functioneren tijdens het instituutsonderwijs vormen dan de agenda. Na afloop van het gesprekken schrijft de aios een verslag dat de stageopleider/docent voor akkoord moet tekenen.

Toetsing op de stage (KPB's en peerassessment)
Voor het verzamelen van feedback op het functioneren van de aios op de stageplaats maken we gebruik van de KPB, de korte praktijkbeoordeling. Dit is een instrument dat geschikt is voor een snelle beoordeling over het totaal van het handelen in de praktijk of over een onderdeel waarover de aios feedback moet hebben of wil hebben. Het past binnen de traditie van 'snel en kort' en als het vaak gebruikt wordt, levert het veel informatie op over de aios wat betreft de belangrijkste aspecten van diens klinisch functioneren. 

Per kwartaal levert de aios 5 afzonderlijke KPB- beoordelingsformulieren in. De verantwoordelijkheid voor voldoende toetsing ligt bij de aios. De aios kan een beoordeling vragen van de stageopleider of een andere betrokkene. De aios kan iedereen vragen een oordeel uit te spreken over het medisch handelen (bv. een collega-aios, een assistent of een verpleegkundige). De nabespreking van de KPB's gebeurt zowel op de stageplaats als tijdens het cursorisch onderwijs. Naast de beoordeling middels de KPB is de feedback van een mede- aios van belang. We streven ernaar om minimaal 1x per stage een peerassessment te laten plaatsvinden. 

Bij de afsluiting van klinische stage moeten de volgende beoordelingen en evaluaties ingeleverd worden:

  • Stageverslag
  • Beoordelingsformulier door stageopleider
  • Beoordelingsformulier door docenten

De beoordelingsformulieren worden opgeslagen in het Beoordelingsdossier. De aios levert de beoordeling van de stage in bij de docenten van de module en bewaart zelf een kopie in het eigen ontwikkelingsdossier.

Voor verdere informatie en de bijbehorende formulieren, zie: Toetsing en beoordeling Klinische stage

Reageer…