Page tree

Get started by adding some pages to this space. Create page.

Spring naar het einde van metadata
Ga nar het begin van metadata

Sedatiekaart noord-holland Noord 2017 

Doel

De leerlijn Palliatieve en Terminale Zorg, waarin de KBA’s uit het thema Palliatieve en terminale zorg  zijn meegenomen, is vormgegeven d.m.v. bouwstenen die het onderwijs en de zelfstudie kunnen ondersteunen.

Inleiding

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft in 2002 een vernieuwde definitie van palliatieve zorg opgesteld:

"Palliatieve zorg is een benadering die de kwaliteit van het leven verbetert van patiënten en hun naasten die te maken hebben met een levensbedreigende aandoening, door het voorkomen en verlichten van lijden, door middel van vroegtijdige signalering en zorgvuldige beoordeling en behandeling van pijn en andere problemen van lichamelijke, psychosociale en spirituele aard."


 Benadering van palliatieve zorg:
Bij palliatieve zorg:
  • is niet de genezing van de patiënt het doel, maar een zo hoog mogelijke kwaliteit van leven, waardoor het ziekteverloop mogelijk positief beïnvloed kan worden;
  • is de dood een normaal, natuurlijk proces, dat niet vertraagd of versneld wordt;
  • is er aandacht voor lichamelijke én psychische klachten;
  • worden de psychologische en spirituele aspecten in de zorg geïntegreerd benaderd;
  • is er emotionele ondersteuning voor de patiënt en zijn naasten om zo actief mogelijk te leven;
  • is er emotionele ondersteuning voor de naasten om te leren omgaan met de ziekte van de patiënt en met eigen rouwgevoelens;
  • wordt, indien nodig, vanuit een team zorgverleners gewerkt, zodat aan alle noden van patiënten en naasten tegemoet kan worden gekomen, indien nodig ook na het overlijden van de patiënt (ondersteuning bij verliesverwerking);

bron: oncoline.nl

 Kernwaarden van palliatieve zorg:
  • De patiënt staat centraal en de huisarts is betrokken.
  • De zorg door de huisarts is continue, generalistisch en contextgericht.
  • De palliatieve zorg wordt competent verleend (kennis en kunde).
  • Iedere huisarts moet deze vorm van zorg kunnen verlenen.
 Missie en visie inzake palliatieve zorg:
  • Het opleiden van aios tot een competente huisarts die op een efficiënte, doelmatige en verantwoorde wijze goede palliatieve zorg verleent in de huisartsenpraktijk.
  • De aanstaande huisarts beschikt over de juiste attitude, kennis en vaardigheden ten aanzien van palliatieve zorg.
 KBA's die vallen onder het thema Palliatieve en terminale zorg

De huisarts is competent met betrekking tot de volgende KBA’s:

  1. Voert een gesprek over het naderend levenseinde.
  2. Past beleid aan op basis van de fase waarin de patiënt in de palliatieve fase verkeert, in het bijzonder de overgang van curatieve fase naar de palliatieve fase en de stervensfase.
  3. Behandelt de specifieke problemen in de palliatieve/terminale fase.
  4. Anticipeert op de vaak complexe problemen en klachten tijdens de palliatieve fase/ terminale zorg.
  5. Organiseert de palliatieve en terminale zorg, stuurt andere zorgverleners aan en is aanspreekpunt voor de patiënt en zijn omgeving.
  6. Verleent zorg aan naasten.
  7. Begeleidt een patiënt en diens naasten bij het verlies (rouwverwerking).
  8. Voert palliatieve sedatie uit.
  9. Voert de wens tot euthanasie uit of draagt deze over in geval van persoonlijke gewetensbezwaren.
  10. Levert persoonlijke continuïteit van zorgverlening.

Lees het volledige thema en overzicht van bijbehorende KBA's.

Contactpersoon

Rinel van Beest
Kaderhuisarts palliatieve zorg

 

 

Jaar 1

Accent op inleiding en kennismaken met de zorg voor de palliatieve patiënt en zijn naasten.

In jaar 1 is palliatieve zorg niet een vast thema. In hoeverre de aios te maken krijgt met de zorg voor palliatieve patiënten en met zaken als euthanasie en palliatieve sedatie is sterk afhankelijk van de praktijkopbouw van de opleider, diens attitude in deze en de afstemming tussen opleider en aios om (een deel van) de zorg voor deze patiënten over te nemen.

De rapporten van inspectie en onafhankelijk onderzoek zetten vragen bij de grote zelfstandigheid waarmee in de casus “Tuijtjehorn” een eerstejaars aios palliatieve zorg heeft verleend. Aandacht voor dit punt in de 1ste jaar groepen met zowel aios als hao’s is noodzakelijk met als mogelijk leer punt het herkennen van valkuilen die de ( gedeeltelijke) overdracht van zorg van de hao naar de aios met zich meebrengt.

 

 Overzicht KBA's in Jaar 1

De doorgestreepte items in de KBA's hebben nog geen prioriteit in deze fase van de opleiding.

 1. Voert een gesprek over het naderend levenseinde.
  • Bespreekt bij verandering van de prognose de consequenties, bijvoorbeeld: iemand met hartfalen, wel of niet reanimeren, of nog naar het ziekenhuis. Bij oncologische patiënten, wel of niet nog een palliatieve chemokuur;
  • Schenkt aandacht aan de met sterven samenhangende psychische, emotionele of sociale problemen;
  • Neemt voldoende tijd, biedt ondersteuning en geeft ruimte , anticipeert op de toekomst;
  • Komt met patiënt en naasten, eventueel in een drie- gesprek, tot medische beslissingen, bijvoorbeeld over het staken van de behandeling of inzetten palliatieve sedatie en of euthanasie;
  • Respecteert het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt met betrekking tot het naderende levenseinde, rekening houdend met autonomie, zingevingsvraagstukken en existentieel lijden.

1. Medisch handelen

2. Communicatie

5. Maatschappelijk handelen

7. Professionaliteit

 2. Past beleid aan op basis van de fase waarin de patiënt verkeert.
  • Onderkent wanneer symptomen refractair zijn;
  • Overlegt met patiënt en naasten waar hun grenzen liggen en wat zij aan zorg en behandeling willen (wel of niet reanimeren, behandelwens, vochttoediening, wel of niet insturen naar ziekenhuis);
  • Schat de mogelijkheid en zinvolheid van de behandelopties in;
  • Pleegt laagdrempelig (telefonisch) overleg met consultatieteam palliatieve zorg.

1. Medisch handelen

2. Communicatie

3. Samenwerking

4. Organisatie

5. Maatschappelijk handelen

 3. Behandelt de specifieke problemen in de palliatieve/terminale fase.
  • Maakt gebruik van de specifieke behandelingsmogelijkheden die palliatieve zorg kan bieden, zoals radiotherapie bij bloeding, pijn ten gevolge botmetastase of pancreastumor, eventueel chemotherapie ter bestrijding pijn, of het nut van O2 behandeling bij COPD;
  • Behandelt de veel voorkomende symptomen in de palliatieve fase, zoals pijn, misselijkheid, dyspnoe, delier, angst en aftakeling, zowel medicamenteus als niet medicamenteus;
  • Dient (continue) subcutane medicatie toe op indicatie;
  • Voert adequaat pijnbeleid op basis van kennis van de werking en de bijwerking van de opioïden en de principes van opioïdrotatie;
  • Anticipeert op stervens-scenario’s, zoals lever falen, nierfalen, hartfalen, hersenmetastasen en bespreekt dit met patiënt en naasten.
 

1. Medisch handelen

2. Communicatie

3. Samenwerking

5. Maatschappelijk handelen

6. Kennis en wetenschap

 4. Anticipeert op de vaak complexe problemen en klachten tijdens de palliatieve fase/ terminale zorg.
  • Stelt een gestructureerd zorgplan op voor de palliatieve patiënt;
  • Anticipeert op het optreden van symptomen in de palliatieve fase, zoals dyspnoe bij hartfalen, longziekten, slikproblemen bij ALS, en decubitus bij bedlegerigheid;
  • Schat de zorgbehoefte tijdig in, resulterend in het inzetten van extra zorg, het bespreken van de mogelijkheden van een verblijf in een hospice (of palliatieve unit verpleeghuis) als zorg thuis niet mogelijk is;
  • Anticipeert op te verwachten problemen of knelpunten en zorgt zonodig voor een adequate overdracht aan andere betrokkene hulpverleners en de huisartsenpost (ANW-diensten);
  • Voert palliatief beleid rekening houdend met de grote mate van diversiteit in de individuele, sociale, culturele of religieuze achtergrond;
  • Hanteert de druk die de wensen en verwachtingen van patiënt en omgeving oproepen, ook ten aanzien van continuïteit van zorg; bewaart hierbij rust en toont overzicht, en onderhoud daarmee een goede relatie met patiënt en naasten.
 

1. Medisch handelen

2. Communicatie

3. Samenwerking

4. Organisatie

5. Maatschappelijk handelen

 5. Organiseert de palliatieve en terminale zorg
  • Neemt verantwoordelijkheid voor beslissingen rond het levenseinde;
  • Maakt gebruik van de competenties van andere hulpverleners in de palliatieve zorg en is op de hoogte van de bestaande afspraken; benut de sociale kaart;
  • Schakelt indien nodig tijdig een technisch thuisteam of hospice in. Raadpleegt eerdere specialistische behandelaars, geestelijke gezondheidszorg en/of apotheker;
  • Zorgt voor heldere verslaglegging en overdracht van medische informatie aan collega’s en ketenzorgpartners, ook na overlijden van de patiënt;
  • Regelt de benodigde thuiszorg als sprake is van ontslag van een patiënt; aanvragen van de noodzakelijke hulpmiddelen en technische materialen;
  • Geeft instructies ten aanzien van bewaking/monitoring van het gevoerde beleid; voert regelmatig overleg met andere zorgverleners over beleid en gemaakte afspraken, en betrekt hierbij emoties en dilemma’s die bij hen kunnen spelen.

1. Medisch handelen

2. Communicatie

3. Samenwerking

4. Organisatie

5. Maatschappelijk handelen

7. Professionaliteit

 6. Verleent zorg aan naasten.
  • Maakt een inschatting van de zelfredzaamheid van de achterblijvende(n), en neemt zo nodig maatregelen ter ondersteuning of opvang;
  • Biedt steun aan naasten en heeft oog voor hun nood; houdt rekening daarbij met de begrenzingen van de mantelzorg.

1. Medisch handelen

2. Communicatie

3. Samenwerking

4. Organisatie

 7. Begeleidt patiënt en naasten bij het verlies (rouwverwerking).
  • Begeleidt patiënten in hun rouwverwerking voorafgaand aan het overlijden, en de naasten na het overlijden, met speciale aandacht voor:
  • Empathie tonen en expliciet vragen naar de wensen en de beleving van patiënt en zijn/haar familie;
  • Signaleren en behandelen van gestagneerde rouwverwerking die behandeling of begeleiding nodig heeft, met speciale aandacht voor depressie, niet alleen in aansluiting op het overlijden maar ook  in latere fasen.

1. Medisch handelen

2. Communicatie

4. Organisatie

7. Professionaliteit

 8. Voert palliatieve sedatie uit.
  • Stelt de indicatie voor palliatieve sedatie en voert dit uit, conform de wensen van patiënt en familie, en  gericht op comfort voor de patiënt
  • Geeft uitleg aan de patiënt en naasten over het doel en effect van de sedatie

1. Medisch handelen

2. Communicatie

3. Samenwerking

4. Organisatie

7. Professionaliteit

 9. Voert euthanasie uit of draagt deze over in geval van persoonlijke gewetensbezwaren.
  • Past de wet- en regelgeving en zorgvuldigheidseisen in geval van euthanasie toe, inclusief de standpunten van de beroepsgroep (KNMG zelfgekozen levenseinde, huidige stand en regels betreffende wilsonbekwaamheid);
  • Voert de voorbereidende handelingen uit en overlegt met SCENarts, apotheker en gemeentelijk lijkschouwer;
  • Raadpleegt een collega bij overschrijden persoonlijke grenzen, zoals om persoonlijke redenen niet kunnen voldoen aan een euthanasie-verzoek en draagt zo nodig over;
  • Anticipeert op en begeleidt vragen over euthanasie:
  • Maakt wensen van patiënt ten aanzien van euthanasie bespreekbaar
  • Begeleidt patiënt in het maken van een zorgvuldige keuze
  • Legt procedure van euthanasie uit aan patiënt en naasten

1. Medisch handelen

2. Communicatie

3. Samenwerking

4. Organisatie

5. Maatschappelijk handelen

7. Professionaliteit

 10. Levert persoonlijke continuïteit van zorgverlening.
  • Maakt afspraken ten aanzien van eigen beschikbaarheid in de vorm van aanwezigheid en bereikbaarheid;
  • Bewaakt persoonlijk welzijn (onder emotioneel intensieve omstandigheden), door het vinden van een goede balans tussen betrokkenheid en distantie bij het begeleiden van een palliatieve patiënt;
  • Bespreekt met andere hulpverleners moeilijke begeleidingstrajecten en emoties, onderkent wat moeizaam gaat.

1. Medisch handelen

2. Communicatie

4. Organisatie

7. Professionaliteit

 Bouwstenen Jaar 1

Introductie

De handreiking "Tijdig spreken over het levenseinde" en het rapport "Niet alles wat kan hoeft" kunnen leidraad zijn voor het (leer)gesprek met de opleider en de bespreking in de groep. De aios krijgt een indruk van de huidige visie van de beroepsgroep ten aanzien van deze onderwerpen en kan, samen met opleider en de groep, onderzoeken wat zijn eigen kennis, (gesprek)vaardigheden en attitude zijn. De hieronder genoemde artikelen van Cees Hertogh en Mart Calff kunnen als discussie stukken ingezet worden.                                                                                                  

In het artikel van Paul Lieverse "Palliatieve zorg verdient beter" wordt de controverse tussen de euthanasie praktijk en goede palliatieve zorg geschetst. Met de uitspraak: "In een cultuur waarin levensbeëindiging op verzoek alledaags is, wordt een palliatieve aanpak van problemen waarmee mensen kampen, overbodig. Of onnodig duur." zet hij de discussie op scherp.

Richtlijnen en handreikingen:

  • Inleiding in de palliatieve zorg: richtlijn van pallialine over de algemene principes van palliatieve zorg, symptomen en symptoomanalyses en palliatieve zorg in de praktijk. Model Lynn en Adamson PZ (Zie jaar 1 KBA 1,2,3,4,5)
  • Besluitvorming in de palliatieve fase: format voor het bespreken en opstellen van werkhypothese en beleid van veel voorkomende symptomen in de palliatieve fase, ondersteund door een beslisschijf en samenvattingskaarten. (Zie jaar 1 KBA 3,4) (toolkit Rinel van Beest, HOVUmc). 
  • KNMG handreiking Tijdig spreken over het levenseinde (2012) om met de patiënt het gesprek aan te gaan over grenzen, wensen en verwachtingen rond het levenseinde, inclusief patiëntenbrochure en bespreekchecklist. (Zie jaar 1 KBA 1,2)
  • KNMG rapport Niet alles wat kan hoeft (2015) gaat o.a. in op de vragen "Wanneer houdt medisch ingrijpen op om zinvol te zijn en is andere zorg passender?" en "Staan arts en patiënt stil bij de kwaliteit die het leven voor de patiënt heeft na een voorgenomen behandeling?". (Zie jaar 1 KBA 2,5,7)

 

Presentaties:

Artikelen:

  • Paul Lieverse, essay in Trouw: Palliatieve zorg verdient beter (2015): Over de plaats van de palliatieve zorg versus de euthanasie en de verschuiving van het (euthanasie) criterium 'ondraaglijk lijden' naar 'kwaliteit van leven'.
  • Cees Hertogh, interview in Zorgmarkt: Zorg vraagt om hoofd, zowel als om handen (2011): "Als je het belangrijk vindt om mensen langer in leven te houden, moet je ook collectief verantwoordelijk willen zijn voor de kwaliteit van zorg in de laatste levensjaren" stelt de hoogleraar ethiek van de zorg voor kwetsbare ouderen.
  • Mart Calff, artikel in Medisch Contact: Een goed gesprek over de dood (2011, psychologische benadering): Praten over (on)mogelijkheden; opties, weerstanden, emoties...


Jaar 2

Accent op beleving, attitude en communicatie.

Naast de aandacht voor medisch inhoudelijke deskundigheid, komen zaken als anticiperend beleid, het maken van een zorgplan, samenwerking met andere disciplines en “einde van het leven problematiek" aan de orde.

 

 Overzicht KBA's in Jaar 2

De doorgestreepte items in de KBA's zijn nog niet van toepassing voor deze fase van de opleiding.

 1. Voert een gesprek over het naderend levenseinde.
  • Bespreekt bij verandering van de prognose de consequenties, bijvoorbeeld: iemand met hartfalen, wel of niet reanimeren, of nog naar het ziekenhuis. Bij oncologische patiënten, wel of niet nog een palliatieve chemokuur;
  • Schenkt aandacht aan de met sterven samenhangende psychische, emotionele of sociale problemen;
  • Neemt voldoende tijd, biedt ondersteuning en geeft ruimte , anticipeert op de toekomst;
  • Komt met patiënt en naasten, eventueel in een drie- gesprek, tot medische beslissingen, bijvoorbeeld over het staken van de behandeling of inzetten palliatieve sedatie en of euthanasie;
  • Respecteert het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt met betrekking tot het naderende levenseinde, rekening houdend met autonomie, zingevingsvraagstukken en existentieel lijden.

1. Medisch handelen

2. Communicatie

5. Maatschappelijk handelen

7. Professionaliteit

 2. Past beleid aan op basis van de fase waarin de patiënt verkeert.
  • Onderkent wanneer symptomen refractair zijn;
  • Overlegt met patiënt en naasten waar hun grenzen liggen en wat zij aan zorg en behandeling willen (wel of niet reanimeren, behandelwens, vochttoediening, wel of niet insturen naar ziekenhuis);
  • Schat de mogelijkheid en zinvolheid van de behandelopties in;
  • Pleegt laagdrempelig (telefonisch) overleg met consultatieteam palliatieve zorg.

1. Medisch handelen

2. Communicatie

3. Samenwerking

4. Organisatie

5. Maatschappelijk handelen

 3. Behandelt de specifieke problemen in de palliatieve/terminale fase.
  • Maakt gebruik van de specifieke behandelingsmogelijkheden die palliatieve zorg kan bieden, zoals radiotherapie bij bloeding, pijn ten gevolge botmetastase of pancreastumor, eventueel chemotherapie ter bestrijding pijn, of het nut van O2 behandeling bij COPD;
  • Behandelt de veel voorkomende symptomen in de palliatieve fase, zoals pijn, misselijkheid, dyspnoe, delier, angst en aftakeling, zowel medicamenteus als niet medicamenteus;
  • Dient (continue) subcutane medicatie toe op indicatie;
  • Voert adequaat pijnbeleid op basis van kennis van de werking en de bijwerking van de opioïden en de principes van opioïdrotatie;
  • Anticipeert op stervens-scenario’s, zoals lever falen, nierfalen, hartfalen, hersenmetastasen en bespreekt dit met patiënt en naasten.
 

1. Medisch handelen

2. Communicatie

3. Samenwerking

5. Maatschappelijk handelen

6. Kennis en wetenschap

 4. Anticipeert op de vaak complexe problemen en klachten tijdens de palliatieve fase/ terminale zorg.
  • Stelt een gestructureerd zorgplan op voor de palliatieve patiënt;
  • Anticipeert op het optreden van symptomen in de palliatieve fase, zoals dyspnoe bij hartfalen, longziekten, slikproblemen bij ALS, en decubitus bij bedlegerigheid;
  • Schat de zorgbehoefte tijdig in, resulterend in het inzetten van extra zorg, het bespreken van de mogelijkheden van een verblijf in een hospice (of palliatieve unit verpleeghuis) als zorg thuis niet mogelijk is;
  • Anticipeert op te verwachten problemen of knelpunten en zorgt zonodig voor een adequate overdracht aan andere betrokkene hulpverleners en de huisartsenpost (ANW-diensten);
  • Voert palliatief beleid rekening houdend met de grote mate van diversiteit in de individuele, sociale, culturele of religieuze achtergrond;
  • Hanteert de druk die de wensen en verwachtingen van patiënt en omgeving oproepen, ook ten aanzien van continuïteit van zorg; bewaart hierbij rust en toont overzicht, en onderhoud daarmee een goede relatie met patiënt en naasten.
 

1. Medisch handelen

2. Communicatie

3. Samenwerking

4. Organisatie

5. Maatschappelijk handelen

 5. Organiseert de palliatieve en terminale zorg
  • Neemt verantwoordelijkheid voor beslissingen rond het levenseinde;
  • Maakt gebruik van de competenties van andere hulpverleners in de palliatieve zorg en is op de hoogte van de bestaande afspraken; benut de sociale kaart;
  • Schakelt indien nodig tijdig een technisch thuisteam of hospice in. Raadpleegt eerdere specialistische behandelaars, geestelijke gezondheidszorg en/of apotheker;
  • Zorgt voor heldere verslaglegging en overdracht van medische informatie aan collega’s en ketenzorgpartners, ook na overlijden van de patiënt;
  • Regelt de benodigde thuiszorg als sprake is van ontslag van een patiënt; aanvragen van de noodzakelijke hulpmiddelen en technische materialen;
  • Geeft instructies ten aanzien van bewaking/monitoring van het gevoerde beleid; voert regelmatig overleg met andere zorgverleners over beleid en gemaakte afspraken, en betrekt hierbij emoties en dilemma’s die bij hen kunnen spelen.

1. Medisch handelen

2. Communicatie

3. Samenwerking

4. Organisatie

5. Maatschappelijk handelen

7. Professionaliteit

 6. Verleent zorg aan naasten.
  • Maakt een inschatting van de zelfredzaamheid van de achterblijvende(n), en neemt zo nodig maatregelen ter ondersteuning of opvang;
  • Biedt steun aan naasten en heeft oog voor hun nood; houdt rekening daarbij met de begrenzingen van de mantelzorg.

1. Medisch handelen

2. Communicatie

3. Samenwerking

4. Organisatie

 7. Begeleidt patiënt en naasten bij het verlies (rouwverwerking).
  • Begeleidt patiënten in hun rouwverwerking voorafgaand aan het overlijden, en de naasten na het overlijden, met speciale aandacht voor:
  • Empathie tonen en expliciet vragen naar de wensen en de beleving van patiënt en zijn/haar familie;
  • Signaleren en behandelen van gestagneerde rouwverwerking die behandeling of begeleiding nodig heeft, met speciale aandacht voor depressie, niet alleen in aansluiting op het overlijden maar ook  in latere fasen.

1. Medisch handelen

2. Communicatie

4. Organisatie

7. Professionaliteit

 8. Voert palliatieve sedatie uit.

(onder begeleiding)

  • Stelt de indicatie voor palliatieve sedatie en voert dit uit, conform de wensen van patiënt en familie, en  gericht op comfort voor de patiënt
  • Geeft uitleg aan de patiënt en naasten over het doel en effect van de sedatie

1. Medisch handelen

2. Communicatie

3. Samenwerking

4. Organisatie

7. Professionaliteit

 9. Voert euthanasie uit of draagt deze over in geval van persoonlijke gewetensbezwaren.

(onder begeleiding)

  • Past de wet- en regelgeving en zorgvuldigheidseisen in geval van euthanasie toe, inclusief de standpunten van de beroepsgroep (KNMG zelfgekozen levenseinde, huidige stand en regels betreffende wilsonbekwaamheid);
  • Voert de voorbereidende handelingen uit en overlegt met SCENarts, apotheker en gemeentelijk lijkschouwer;
  • Raadpleegt een collega bij overschrijden persoonlijke grenzen, zoals om persoonlijke redenen niet kunnen voldoen aan een euthanasie-verzoek en draagt zo nodig over;
  • Anticipeert op en begeleidt vragen over euthanasie:
  • Maakt wensen van patiënt ten aanzien van euthanasie bespreekbaar
  • Begeleidt patiënt in het maken van een zorgvuldige keuze
  • Legt procedure van euthanasie uit aan patiënt en naasten

1. Medisch handelen

2. Communicatie

3. Samenwerking

4. Organisatie

5. Maatschappelijk handelen

7. Professionaliteit

 10. Levert persoonlijke continuïteit van zorgverlening.
  • Maakt afspraken ten aanzien van eigen beschikbaarheid in de vorm van aanwezigheid en bereikbaarheid;
  • Bewaakt persoonlijk welzijn (onder emotioneel intensieve omstandigheden), door het vinden van een goede balans tussen betrokkenheid en distantie bij het begeleiden van een palliatieve patiënt;
  • Bespreekt met andere hulpverleners moeilijke begeleidingstrajecten en emoties, onderkent wat moeizaam gaat.

1. Medisch handelen

2. Communicatie

4. Organisatie

7. Professionaliteit

 Bouwstenen Jaar 2

Introductie:

De handreiking "Tijdig spreken over het levenseinde" en het rapport "Niet alles wat kan hoeft" kunnen leidraad zijn voor het (leer)gesprek met de stage begeleider en de bespreking in de groep. De aios krijgt een indruk van de huidige visie van de beroepsgroep ten aanzien van deze onderwerpen en kan, samen met stage begeleider en de groep, onderzoeken wat zijn eigen kennis, (gesprek)vaardigheden en attitude zijn.

Bij Palliatieve zorg staan de patiënt en zijn naasten centraal en is er aandacht voor alle dimensies (lichamelijk, functioneel, psychisch, spiritueel en sociaal) die het welbevinden van de patiënt bepalen. De richtlijn "Spirituele zorg " geeft handvatten om de behoefte aan zorg op de verschillende dimensies te onderkennen en om deze multidimensionale zorg vorm te geven.

De handreiking "Slecht nieuwsgesprek" en de richtlijnen Palliatieve Sedatie en Euthanasie kunnen het handelen in de praktijk ondersteunen.

De hieronder genoemde artikelen van Paul Lieverse, Cees Hertogh en Mart Calff kunnen als discussie stukken ingezet worden.                                                                                                  

 Onderwerpen voor deze fase van de opleiding:

  • Kennismaking met palliatieve sedatie, euthanasie en SCEN.
  • Delier bij de oudere/ terminale patiënt.
  • Slecht nieuws gesprek.
  • Familiegesprekken, zie het onderwijsprogramma van de Leerlijn APC
  • Spirituele zorg

 

Bouwstenen medisch inhoudelijk (delier) en goede zorg:

  • Besluitvorming in de palliatieve fase: format voor het bespreken en opstellen van werkhypothese en beleid van veel voorkomende symptomen in de palliatieve fase, ondersteund door een beslisschijf en samenvattingskaarten  (toolkit Rinel van Beest, HOVUmc) (zie jaar 2 KBA 3,4)
  • Pallialine Symptoomcontrole: richtlijnen voor inventarisatie en multidisciplinaire behandeling van de meest voorkomende symptomen in de palliatieve fase. (Zie jaar 2 KBA 3,4,5)
  • Pallialine: Richtlijn delier (2010)

 

Bouwstenen vragen rond het levenseinde:

  • KNMG handreiking Tijdig spreken over het levenseinde (2012) om met de patiënt het gesprek aan te gaan over grenzen, wensen en verwachtingen rond het levenseinde, inclusief patiëntenbrochure en bespreekchecklist. (Zie jaar 2 KBA 1,2)
  • IKNL: Handreiking slecht nieuws gesprek (2012) biedt zowel artsen als verpleegkundigen een beknopt stappenplan om de kwaliteit van het slecht-nieuwsgesprek te verbeteren. Het doel hiervan is tweeledig: het geeft houvast tijdens het gesprek het helpt bij het ontwikkelen en/of versterken van vertrouwen en het vergroten van vaardigheden voor het voeren van het gesprek. 
    Inclusief Samenvattingskaart slecht nieuws gesprek (2015) (Zie jaar 2 KBA 1,2,7)
  • KNMG rapport Niet alles wat kan hoeft (2015) gaat o.a. in op de vragen "Wanneer houdt medisch ingrijpen op om zinvol te zijn en is andere zorg passender?" en "Staan arts en patiënt stil bij de kwaliteit die het leven voor de patiënt heeft na een voorgenomen behandeling?". (Zie jaar 2 KBA 2,5)
  • Pallialine: Richtlijn palliatieve sedatie (2009) is inhoudelijk geheel en tekstueel grotendeels identiek aan de herziene versie van de KNMG-richtlijn palliatieve sedatie 2009. 
     De Checklist continue palliatieve sedatie (2012) vormt voor hulpverleners een hulpmiddel bij het beleid rond palliatieve sedatie. (Zie jaar 2 KBA 5,7,8)

  • Pallialine: Richtlijn euthanasie (2012) is aangepast aan de inhoud van de  KNMG/KNMP richtlijn 'Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding'. (Zie jaar 2 KBA 5,7,9)

  • Pallialine: Richtlijn spirituele zorg (2005) biedt in de eerste plaats een handreiking om onderscheid te kunnen maken tussen: (A) situaties waarin volstaan kan worden met alledaagse aandacht voor levensvragen in de zorg, (B) situaties waar patiënten behoefte aan begeleiding hebben op het terrein van levensvragen of een normale worsteling doormaken waarbij begeleiding door een deskundige toegevoegde waarde kan hebben, en (C) situaties waar de worsteling met levensvragen tot een existentiële crisis leidt die vraagt om crisisinterventie door een geestelijk verzorger, medisch maatschappelijk werker of psycholoog.
    In de tweede plaats worden handvatten gegeven om in deze te onderscheiden situaties goede zorg te bieden. (Zie jaar 2 KBA 6,7)
     

Artikelen:

  • Paul Lieverse, essay in Trouw: Palliatieve zorg verdient beter (2015): Over de plaats van de palliatieve zorg versus de euthanasie en de verschuiving van het (euthanasie) criterium 'ondraaglijk lijden' naar 'kwaliteit van leven'. Met de uitspraak: "In een cultuur waarin levensbeëindiging op verzoek alledaags is, wordt een palliatieve aanpak van problemen waarmee mensen kampen, overbodig. Of onnodig duur." zet hij de discussie op scherp
  • Cees Hertogh, interview in Zorgmarkt: Zorg vraagt om hoofd, zowel als om handen (2011): "Als je het belangrijk vindt om mensen langer in leven te houden, moet je ook collectief verantwoordelijk willen zijn voor de kwaliteit van zorg in de laatste levensjaren" stelt de hoogleraar ethiek van de zorg voor kwetsbare ouderen.
  • Mart Calff, artikel in Medisch Contact: Een goed gesprek over de dood (2011, psychologische benadering): Praten over (on)mogelijkheden; opties, weerstanden, emoties...

 

Jaar 3

Accent op uitvoering.

Er wordt gestreefd naar afstemming tussen het leren in de praktijk, zelfstudie, TKD onderwijs en het Keuzeonderwijs (workshops op de donderdagmiddag). Daar Palliatieve zorg een vast thema is in jaar 3 is ervoor gekozen om een invulling voor te stellen voor 4 (dag)delen van een TKD. 

 

 Overzicht KBA's in Jaar 3
 1. Voert een gesprek over het naderend levenseinde.
  • Bespreekt bij verandering van de prognose de consequenties, bijvoorbeeld: iemand met hartfalen, wel of niet reanimeren, of nog naar het ziekenhuis. Bij oncologische patiënten, wel of niet nog een palliatieve chemokuur;
  • Schenkt aandacht aan de met sterven samenhangende psychische, emotionele of sociale problemen;
  • Neemt voldoende tijd, biedt ondersteuning en geeft ruimte , anticipeert op de toekomst;
  • Komt met patiënt en naasten, eventueel in een drie- gesprek, tot medische beslissingen, bijvoorbeeld over het staken van de behandeling of inzetten palliatieve sedatie en of euthanasie;
  • Respecteert het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt met betrekking tot het naderende levenseinde, rekening houdend met autonomie, zingevingsvraagstukken en existentieel lijden.

1. Medisch handelen

2. Communicatie

5. Maatschappelijk handelen

7. Professionaliteit

 2. Past beleid aan op basis van de fase waarin de patiënt verkeert.
  • Onderkent wanneer symptomen refractair zijn;
  • Overlegt met patiënt en naasten waar hun grenzen liggen en wat zij aan zorg en behandeling willen (wel of niet reanimeren, behandelwens, vochttoediening, wel of niet insturen naar ziekenhuis);
  • Schat de mogelijkheid en zinvolheid van de behandelopties in;
  • Pleegt laagdrempelig (telefonisch) overleg met consultatieteam palliatieve zorg.

1. Medisch handelen

2. Communicatie

3. Samenwerking

4. Organisatie

5. Maatschappelijk handelen

 3. Behandelt de specifieke problemen in de palliatieve/terminale fase.
  • Maakt gebruik van de specifieke behandelingsmogelijkheden die palliatieve zorg kan bieden, zoals radiotherapie bij bloeding, pijn ten gevolge botmetastase of pancreastumor, eventueel chemotherapie ter bestrijding pijn, of het nut van O2 behandeling bij COPD;
  • Behandelt de veel voorkomende symptomen in de palliatieve fase, zoals pijn, misselijkheid, dyspnoe, delier, angst en aftakeling, zowel medicamenteus als niet medicamenteus;
  • Dient (continue) subcutane medicatie toe op indicatie;
  • Voert adequaat pijnbeleid op basis van kennis van de werking en de bijwerking van de opioïden en de principes van opioïdrotatie;
  • Anticipeert op stervens-scenario’s, zoals lever falen, nierfalen, hartfalen, hersenmetastasen en bespreekt dit met patiënt en naasten.
 

1. Medisch handelen

2. Communicatie

3. Samenwerking

5. Maatschappelijk handelen

6. Kennis en wetenschap

 4. Anticipeert op de vaak complexe problemen en klachten tijdens de palliatieve fase/ terminale zorg.
  • Stelt een gestructureerd zorgplan op voor de palliatieve patiënt;
  • Anticipeert op het optreden van symptomen in de palliatieve fase, zoals dyspnoe bij hartfalen, longziekten, slikproblemen bij ALS, en decubitus bij bedlegerigheid;
  • Schat de zorgbehoefte tijdig in, resulterend in het inzetten van extra zorg, het bespreken van de mogelijkheden van een verblijf in een hospice (of palliatieve unit verpleeghuis) als zorg thuis niet mogelijk is;
  • Anticipeert op te verwachten problemen of knelpunten en zorgt zonodig voor een adequate overdracht aan andere betrokkene hulpverleners en de huisartsenpost (ANW-diensten);
  • Voert palliatief beleid rekening houdend met de grote mate van diversiteit in de individuele, sociale, culturele of religieuze achtergrond;
  • Hanteert de druk die de wensen en verwachtingen van patiënt en omgeving oproepen, ook ten aanzien van continuïteit van zorg; bewaart hierbij rust en toont overzicht, en onderhoud daarmee een goede relatie met patiënt en naasten.
 

1. Medisch handelen

2. Communicatie

3. Samenwerking

4. Organisatie

5. Maatschappelijk handelen

 5. Organiseert de palliatieve en terminale zorg
  • Neemt verantwoordelijkheid voor beslissingen rond het levenseinde;
  • Maakt gebruik van de competenties van andere hulpverleners in de palliatieve zorg en is op de hoogte van de bestaande afspraken; benut de sociale kaart;
  • Schakelt indien nodig tijdig een technisch thuisteam of hospice in. Raadpleegt eerdere specialistische behandelaars, geestelijke gezondheidszorg en/of apotheker;
  • Zorgt voor heldere verslaglegging en overdracht van medische informatie aan collega’s en ketenzorgpartners, ook na overlijden van de patiënt;
  • Regelt de benodigde thuiszorg als sprake is van ontslag van een patiënt; aanvragen van de noodzakelijke hulpmiddelen en technische materialen;
  • Geeft instructies ten aanzien van bewaking/monitoring van het gevoerde beleid; voert regelmatig overleg met andere zorgverleners over beleid en gemaakte afspraken, en betrekt hierbij emoties en dilemma’s die bij hen kunnen spelen.

1. Medisch handelen

2. Communicatie

3. Samenwerking

4. Organisatie

5. Maatschappelijk handelen

7. Professionaliteit

 6. Verleent zorg aan naasten.
  • Maakt een inschatting van de zelfredzaamheid van de achterblijvende(n), en neemt zo nodig maatregelen ter ondersteuning of opvang;
  • Biedt steun aan naasten en heeft oog voor hun nood; houdt rekening daarbij met de begrenzingen van de mantelzorg.

1. Medisch handelen

2. Communicatie

3. Samenwerking

4. Organisatie

 7. Begeleidt patiënt en naasten bij het verlies (rouwverwerking).
  • Begeleidt patiënten in hun rouwverwerking voorafgaand aan het overlijden, en de naasten na het overlijden, met speciale aandacht voor:
  • Empathie tonen en expliciet vragen naar de wensen en de beleving van patiënt en zijn/haar familie;
  • Signaleren en behandelen van gestagneerde rouwverwerking die behandeling of begeleiding nodig heeft, met speciale aandacht voor depressie, niet alleen in aansluiting op het overlijden maar ook  in latere fasen.

1. Medisch handelen

2. Communicatie

4. Organisatie

7. Professionaliteit

 8. Voert palliatieve sedatie uit.
  • Stelt de indicatie voor palliatieve sedatie en voert dit uit, conform de wensen van patiënt en familie, en  gericht op comfort voor de patiënt
  • Geeft uitleg aan de patiënt en naasten over het doel en effect van de sedatie

1. Medisch handelen

2. Communicatie

3. Samenwerking

4. Organisatie

7. Professionaliteit

 9. Voert euthanasie uit of draagt deze over in geval van persoonlijke gewetensbezwaren.
  • Past de wet- en regelgeving en zorgvuldigheidseisen in geval van euthanasie toe, inclusief de standpunten van de beroepsgroep (KNMG zelfgekozen levenseinde, huidige stand en regels betreffende wilsonbekwaamheid);
  • Voert de voorbereidende handelingen uit en overlegt met SCENarts, apotheker en gemeentelijk lijkschouwer;
  • Raadpleegt een collega bij overschrijden persoonlijke grenzen, zoals om persoonlijke redenen niet kunnen voldoen aan een euthanasie-verzoek en draagt zo nodig over;
  • Anticipeert op en begeleidt vragen over euthanasie:
  • Maakt wensen van patiënt ten aanzien van euthanasie bespreekbaar
  • Begeleidt patiënt in het maken van een zorgvuldige keuze
  • Legt procedure van euthanasie uit aan patiënt en naasten

1. Medisch handelen

2. Communicatie

3. Samenwerking

4. Organisatie

5. Maatschappelijk handelen

7. Professionaliteit

 10. Levert persoonlijke continuïteit van zorgverlening.
  • Maakt afspraken ten aanzien van eigen beschikbaarheid in de vorm van aanwezigheid en bereikbaarheid;
  • Bewaakt persoonlijk welzijn (onder emotioneel intensieve omstandigheden), door het vinden van een goede balans tussen betrokkenheid en distantie bij het begeleiden van een palliatieve patiënt;
  • Bespreekt met andere hulpverleners moeilijke begeleidingstrajecten en emoties, onderkent wat moeizaam gaat.

1. Medisch handelen

2. Communicatie

4. Organisatie

7. Professionaliteit

TKD onderwijs - 4 programma’s van ongeveer 1,5 uur

 TKD 1: Wat is palliatieve zorg?

Introductie:

Door het bestuderen van het Palliatieve zorg model en het standpunt Huisarts en Palliatieve zorg met de KBA's als onderlegger kan de aios een indruk krijgen wat al bekend is, waar hij al vaardig in is en waar hij de komende tijd vooral aandacht aan wil besteden. Samen met de opleider kan een pas op de plaats gemaakt worden (wat heb ik al in de praktijk laten zien?) en leerdoelen worden opgesteld.  

Bespreking van het standpunt Huisarts en Palliatieve Zorg in de groep kan door uitwisseling van inzichten en bewustwording behulpzaam zijn bij het vormen van een eigen attitude en mogelijk visie op de zorg voor deze patiënten.

De video "Als je niet meer beter wordt" en het artikel van Bert Keizer kunnen gebruikt worden om ervaren knelpunten uit de praktijk te bespreken, met de groep en/of de opleider. Het Patz project en het stellen van de surprise question zijn praktijkvoorbeelden van good practices en tackelen mogelijk de genoemde knelpunten.


Richtlijnen en handreikingen:

  • Pallialine: Palliatieve zorg Model richtlijn over de algemene principes van palliatieve zorg, symptomen en symptoomanalyses en palliatieve zorg in de praktijk. (curatieve, palliatieve en terminale fase; overgang van ziekte behandeling naar symptoom controle)  Model Lynn en Adamson PZ (Zie jaar 3 KBA 1,2,3,4,5)
  • NHG: Standpunt Huisarts en Palliatieve Zorg geeft de visie weer van het NHG op de huisartsgeneeskundige zorg voor patiënten in de palliatieve fase en geeft aanbevelingen aan de huisart(envoorziening) die bijdragen aan kwalitatief goede zorg. (Zie jaar 3 KBA 1 t/m 10)
  • Surprise question (de vraag: "Zou ik verbaasd zijn als deze patiënt binnen 12 maanden zou overlijden") met bijbehorend stroomschema kan behulpzaam zijn bij het identificeren van de palliatieve fase

Presentaties, video's e.a.:

  • Video: Als je niet meer beter wordt Het zichtbaar en bespreekbaar maken van een aantal gemeenschappelijke dilemma’s rond ongeneeslijk ziek zijn en het aanreiken van ervaringen van anderen, zijn de handreikingen die deze video biedt.
  •  PaTz (patz.nu) staat voor palliatieve thuiszorg en heeft tot doel de samenwerking tussen huisartsen en wijkverpleegkundigen te bevorderen en hun deskundigheid te verhogen waardoor de kwaliteit in de palliatieve thuiszorg toeneemt.

Artikelen:

  • Bert Keizer, Trouw, 2011:Als de dood binnenkort te verwachten valt is het antwoord van Keizer op de vraag: "Wanneer moet je met palliatieve zorg beginnen?". Er bestaat een moment waarop dit een relevante, aandachtsvolle en dus gepaste vraag is en de bepaling van dat moment hangt aan duizend aspecten van de context waarin een en ander plaatsvindt. Kortom: hoe bepaal je dit moment?
 TKD 2: Somatische aspecten

Introductie

Ook, of juist, bij de zorg voor de palliatieve patiënt is het klinisch redeneren essentieel. M.b.v. kennis over het onderliggend lijden, anamnese, (lichamelijk) onderzoek, meet- en score instrumenten en meenemen van het ziekteverloop wordt een werkhypothese opgesteld. Deze werkhypothese en de wens en mogelijkheden (context) van de patiënt zijn leidraad voor het beleid. Het instrument "Besluitvorming in de palliatieve fase" is een hulpmiddel om dit proces te begeleiden, te evalueren en z.n. bij te stellen. Door samen met de opleider en/of in de groep casuïstiek te bespreken a.d.h.v. beslisschijf en samenvattingskaarten kan de aios zich hierin bekwamen. 

De stervensfase, inclusief nazorg, behoeft zijn eigen specifieke aanpak, beschreven in de richtlijn Zorg in de Stervensfase. M.n. het herkennen en erkennen van de stervensfase is in de praktijk lastig en voor alle betrokkenen een emotioneel moment. Het instrument Zorgpad Stervensfase biedt door het markeren van de stervensfase en met het opstellen van zorgdoelen houvast bij de zorg in de laatste fase en wordt in de praktijk (ziekenhuizen, hospices en steeds meer in thuissituaties) ingezet. 

Richtlijnen en handreikingen:

  • Besluitvorming in de palliatieve fase: format voor het bespreken en opstellen van werkhypothese en beleid van veel voorkomende symptomen in de palliatieve fase, ondersteund door een beslisschijf en samenvattingskaarten (toolkit Rinel van Beest, HOVUmc) (Zie jaar 3 KBA 3,4)
  • Pallialine Symptoomcontrole: richtlijnen voor inventarisatie en multidisciplinaire behandeling van de meest voorkomende symptomen in de palliatieve fase. (Zie jaar 3 KBA 3,4,5)
  • Pallialine: Richtlijn zorg in de stervensfase richt zich op de zorg (herkennen en erkennen van de stervensfase, vereiste zorg in de stervensfase) in de laatste dagen van de stervende tot het moment kort na het overlijden en op de begeleiding van de naasten. (Zie jaar 3 KBA 5,6,7,10)  IKNL folder Stervensfase
  • Voor het verlenen van deze zorg kan het  Zorgpad Stervensfase. leidraad bieden; deze omschrijft de zorg door middel van zorgdoelen gericht op zowel de lichamelijke, als de psychische, sociale en spirituele dimensies van de zorg in de stervensfase voor de patiënt en de naasten.

Presentaties e.a.:


Artikelen:

  • Cees Hertogh, interview in Zorgmarkt: Zorg vraagt om hoofd, zowel als om handen (2011): "Als je het belangrijk vindt om mensen langer in leven te houden, moet je ook collectief verantwoordelijk willen zijn voor de kwaliteit van zorg in de laatste levensjaren" stelt de hoogleraar ethiek van de zorg voor kwetsbare ouderen.
 TKD 3: Communicatie in de palliatieve fase

Introductie

Het sleutelbegrip in de Palliatieve zorg is communicatie, tussen patiënt en zijn naasten, tussen  patiënt/ naasten en hulpverleners, tussen de verschillende hulpverleners, gedurende het gehele proces en op het juiste moment.

De handreiking "Tijdig spreken over het levenseinde", de richtlijn "Spirituele zorg" en het rapport "Niet alles wat kan hoeft" kunnen leidraad zijn voor het (leer)gesprek met de opleider en de bespreking in de groep. De aios krijgt een indruk van de huidige visie van de beroepsgroep ten aanzien van deze onderwerpen en kan, samen met opleider en de groep, onderzoeken wat zijn eigen kennis, (gesprek)vaardigheden en attitude zijn.

De handreiking "Slecht nieuwsgesprek", het onderwijsprogramma APC-Palliatieve fase en de presentatie "Schokbrekers in de communicatie" geven tools om deze gesprekken met patiënt en naasten te voeren ook, of juist, als het gaat wringen. Zij geven tevens inzicht in de emotionele processen bij alle betrokkenen die de communicatie in de weerbarstige praktijk kunnen kleuren.

De hieronder genoemde artikelen en overige materialen bieden verdieping aan de zelfstudie en/of het (leer)gesprek met opleider en peer.

Richtlijnen en handreikingen:

  • KNMG handreiking Tijdig spreken over het levenseinde (2012) om met de patiënt het gesprek aan te gaan over grenzen, wensen en verwachtingen rond het levenseinde, inclusief patiëntenbrochure en bespreekchecklist. (Zie jaar 3 KBA 1,2)
  • IKNL: Handreiking slecht nieuws gesprek (2012) biedt zowel artsen als verpleegkundigen een beknopt stappenplan om de kwaliteit van het slecht-nieuwsgesprek te verbeteren. Het doel hiervan is tweeledig: het geeft houvast tijdens het gesprek het helpt bij het ontwikkelen en/of versterken van vertrouwen en het vergroten van vaardigheden voor het voeren van het gesprek.  Inclusief Samenvattingskaart slecht nieuws gesprek (2015) (Zie jaar 3 KBA 1,2,7)
  • KNMG rapport Niet alles wat kan hoeft (2015) gaat o.a. in op de vragen "Wanneer houdt medisch ingrijpen op om zinvol te zijn en is andere zorg passender?" en "Staan arts en patiënt stil bij de kwaliteit die het leven voor de patiënt heeft na een voorgenomen behandeling?". (Zie jaar 3 KBA 2,5)
  • Pallialine: Richtlijn spirituele zorg (2005) biedt in de eerste plaats een handreiking om onderscheid te kunnen maken tussen: (A) situaties waarin volstaan kan worden met alledaagse aandacht voor levensvragen in de zorg, (B) situaties waar patiënten behoefte aan begeleiding hebben op het terrein van levensvragen of een normale worsteling doormaken waarbij begeleiding door een deskundige toegevoegde waarde kan hebben, en (C) situaties waar de worsteling met levensvragen tot een existentiële crisis leidt die vraagt om crisisinterventie door een geestelijk verzorger, medisch maatschappelijk werker of psycholoog. In de tweede plaats worden handvatten gegeven om in deze te onderscheiden situaties goede zorg te bieden. (Zie jaar 3 KBA 6,7)


Presentaties, onderwijsprogramma e.a.:

  • Schokbrekers in de communicatie met patiënten en naasten in de palliatieve fase geeft inzicht in de mechanismes die deze communicatie beïnvloeden en handvatten om hier mee om te gaan(Pdf bestand van een gehouden presentatie, Christien de Jong)
  • APC - Palliatieve fase (Onderwijsprogramma in de Leerlijn APC)


Artikelen: 

Overige materialen:

  • Stichting STEM (staat voor STerven op je Eigen Manier) wil sterven een volwaardige plaats in het leven geven door mensen te stimuleren over sterven te praten en handvatten te bieden hoe ze dat kunnen doen met behoud van eigen normen en waarden  t.a.v. lijden en sterven en in acht neming van de culturele achtergrond.
  • De Stichting Verdriet door je hoofd De stichting heeft als doelen: het informeren en ondersteunen van kinderen (3-18 jaar) die geconfronteerd worden met kanker van hun ouders of andere naasten en het informeren van ouders, hulpverleners, leerkrachten en andere betrokkenen over wat er in deze kinderen omgaat zodat kinderen én ouders beter met de situatie om kunnen gaan.
  • De Wereld van verschil is ontwikkeld om ouders, kinderen en jongeren van wie een gezinslid levensbedreigend ziek is of is overleden, verwacht of onverwacht te ondersteunen.
  • Stichting Achter de regenboog ondersteunt kinderen en jongeren bij het verwerken van het overlijden van een dierbare, zodat deze ingrijpende gebeurtenis geen belemmering vormt om een gezond volwassen bestaan op te bouwen.

     

 TKD 4: Palliatieve sedatie en euthanasie

Introductie

Bij goede zorg rond het levenseinde komt het aan op de essentie van Palliatieve Zorg: door te anticiperen een crisessituatie voorkomen. Dit vereist een deskundig en actief beleid.Er moeten vaak verstrekkende beslissingen genomen worden door de patiënt, door de dokter en vooral door de patiënt en dokter samen. Dat vraagt veel van alle betrokkenen. Dat vraagt van de dokter om, met behoud van professionaliteit en onderkenning van de eigen emoties, naast de ander te gaan staan en de patiënt en naasten in staat te stellen, ondanks alle emoties, zo veel mogelijk autonoom deze beslissingen te laten nemen.

Het standpunt "Rol van de arts bij het zelfgekozen levenseinde" en het artikel van Paul Lieverse kan de aios ondersteunen bij het vormen van de eigen visie en attitude. 

De KNMG/KNMP richtlijn ‘Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding' geeft artsen en apothekers advies over een in de praktijk goed toepasbare en effectieve uitvoering van euthanasie en hulp bij zelfdoding. De richtlijn beschrijft de situatie vanaf het moment dat de arts een verzoek tot aflevering van euthanatica bij de apotheker doet tot en met de komst van de lijkschouwer. De richtlijn Palliatieve Sedatie beschrijft de indicatiestelling en voorwaarden, de besluitvorming en het beleid. De checklist geeft praktische tips over de indicatiestelling, voorlichting en begeleiding van naasten, organisatie en coördinatie van zorg, uitvoering en nazorg. Naast een deskundige uitvoering is goede voorlichting essentieel voor het verloop van de sedatie.

 

Richtlijnen en handreikingen:

  • Pallialine: Richtlijn palliatieve sedatie (2009) is inhoudelijk geheel en tekstueel grotendeels identiek aan de herziene versie van de KNMG-richtlijn palliatieve sedatie 2009.   
    De Checklist continue palliatieve sedatie (2012) vormt voor hulpverleners een hulpmiddel bij het beleid rond palliatieve sedatie. (Zie jaar 3 KBA 5,7,8)
  • Pallialine: Richtlijn euthanasie (2012) is aangepast aan de inhoud van de  KNMG/KNMP richtlijn 'Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding'. (Zie jaar 3 KBA 5,7,9)
  • KNMG richtlijn Euthanasie bij een verlaagd bewustzijn (2010) beschrijft de manier waarop artsen horen te handelen met betrekking tot patiënten, bij wie nadat de euthanasie of hulp bij zelfdoding is afgesproken en op redelijk korte termijn is gepland, er een verlaging van het bewustzijn is opgetreden.
  • KNMG standpunt: Rol van de arts bij het zelfgekozen levenseinde (2011) geeft een actueel overzicht over de rol, de verantwoordelijkheden, mogelijkheden en begrenzing van de arts bij het zelfgekozen levenseinde. (Zie jaar 3 KBA 2,5,10)
     
 

Presentaties, onderwijsprogramma's e.a.:

Artikelen:

  • Paul Lieverse, essay in Trouw: Palliatieve zorg verdient beter (2015): Over de plaats van de palliatieve zorg versus de euthanasie en de verschuiving van het (euthanasie) criterium 'ondraaglijk lijden' naar 'kwaliteit van leven'.

Keuzeopdrachten

 Opdracht 1: Zorgplan maken

Het maken van een proactief zorgplan waarin de overdracht naar de HAP is meegenomen.

 Opdracht 2: Interview afnemen

Het afnemen van een interview volgens de AAA-Lijst met reflectieverslag, zie:

  • AAA-Lijst (AAA = Aanwezig zijn, Actief luisteren, Anticiperen)
  • AAA-Oefenboek.pdf (Oefeningen voor huisartsen in het communiceren met patiënten in de palliatieve zorg, 2006)    
  • APC - Palliatieve fase (Onderwijsprogramma in de Leerlijn APC)

Voorbeeld filmpjes met dank aan Willemjan Slort, zijn te vinden op onze netwerkschijf op M:\HO\Video\Palliatief\

Workshop onderwijs

Workshop 1 t/m 4 vast in de jaarlijkse cyclus, zie Workshoponderwijs Jaar 3.

 Workshop 1: Palliatieve zorg aan migranten.

Het is belangrijk dat aios zich realiseren dat sterven en alles wat er bij hoort in andere culturen en/of van uit religieuze overwegingen heel anders kan zijn dan wij gewend zijn of graag zouden willen.

Voor dit programma kan worden gedacht aan bijvoorbeeld:

 Workshop 2: Palliatieve vaardigheden en Spoed in de palliatieve zorg.
  • Aan de hand van complexe casuïstiek.
  • Vaardigheden: ascitespunctie, uitzetten ICD, gebruik pomp, samenwerking technisch team thuiszorg.
  • Kijken of dit door eigen docenten (met als alternatief Astrid Kodde of Rinel van Beest) gegeven kan worden.
 Workshop 3: Verdieping palliatieve sedatie en versterving.

Alvorens aan deze workshop deel te nemen moet de aios het TKD onderwijs over palliatieve sedatie hebben gevolgd. Docent: Rinel van Beest.

 Workshop 4: Medisch-ethische vragen rond het levenseinde en SCEN problematiek.

Programma dat nu door Cees Miedema wordt gegeven met zeer goede evaluaties. Eveneens kan bij Cees Miedema de SCEN-introductie worden gevolgd.

Alternatieve docenten Moniek van den Ende en Karin Verschoor.

 Overige workshops

De overige workshops kunnen ingevuld worden met de volgende onderwerpen:

  • Rouw/begeleiding naasten (docent Helle Poulsen)
  • Oefenen met “Schokbrekers in de communicatie” (docent Christien de Jong)/ Familiesystemen.
  • ??

Onderwijsmateriaal dat zich niet leent voor openbare publicatie is te vinden in de map M:\HO\

Bouwstenen ter verbreding en verdieping

 Somatische aspecten
 Communicatie
  • Begeleiden van families in de palliatieve zorg artikel Katlijn Willems en Peter Demeulenaere (Bijblijven (2006) 22:88–95): ‘Cancer can affect a family in much the same way as it invades the body, causing deterioriation if left untreated.’ Colin Murray Parkes
 Organisatie van zorg

Veelgebruikte bronnen

Bij het samenstellen van deze leerlijn is veelvuldig gebruik gemaakt van materialen van een drietal organisaties:

KNMG

De federatie KNMG richt zich op onderwerpen die de verschillende beroepsverenigingen overstijgen en dus voor alle artsen relevant zijn.

Integraal Kankercentrum Nederland

IKNL is het kennis- en kwaliteitsinstituut voor professionals en bestuurders in de oncologische en palliatieve zorg.

Pallialine

Op Pallialine staan palliatieve richtlijnen volgens de meest recente inzichten in diagnostiek en behandeling bij palliatieve zorg beschreven.

 Literatuur

  • Palliatieve Zorg in de dagelijkse praktijk onder redactie van Drs. B.S. Wanrooij e.a. (ISBN 978-90-313-4031-6) Bohn Stafleu van Loghum
  • General practitioner- patiënt communication in palliatieve care Academisch proefschrift door Willemjan Slort (ISBN 978-90-822439-0-1)
  • De dokter en de dood; Optimale zorg in de laatste levensfase onder redactie van Dr. Lia van Zuylen e.a. (ISBN 978-94-91969-02-7) Diagnosis Uitgevers
  • Ethiek en Palliatieve zorg onder redactie van Marian Verkerk en Rudolf Hartoungh (ISBN 978-90-232-3958-1) Koninklijke van Gorcum
  • Over( - )behandelen; Ethiek van de zorg voor kwetsbare ouderen Theo Boer, Maarten Verkerk en Dirk Jan Bakker (ISBN 978-90-352-3592-2) Reed Business
  • Hope in Palliatieve care; A Longitudinal Qualitative Study Erik Olsman (ISBN 978-94-6299-072-2)
  • Lof der onvolmaaktheid; waarom zelfbeschikking niet genoeg is om goed te leven en te sterven Gerbert van Loenen(ISBN 978-90-259-0427-2) Uitgeverij Ten Have

Handige apps

PalliArts

biedt landelijke en regionale informatie over palliatieve zorg overal op ieder moment en ondersteuning aan de (huis)arts en anderen bij het verlenen van palliatieve zorg.

 

Download de app: voor iOS, of voor Android.

Opioïden Omreken App

is gebaseerd op de algoritmen van Prof. Dr. W.W.A. Zuurmond en andere algemeen geldende omrekentabellen.

Download de app: voor iOS, of voor Android.